Veelgestelde vragen

  1. Hoe moet de financiering worden geregeld van een activiteit die zich tot een gemengd publiek richt?

    Enkel de financiering van activiteiten bestemd voor het doelpubliek wordt ten laste genomen door de toelage voor participatie en sociale activering.

    Wanneer de activiteit bestemd is voor een publiek dat samengesteld is uit personen waarvoor het OCMW wel en niet kan tussenkomen in de kosten, moet als volgt gehandeld worden:

    1. Het aantal begunstigden dat deelneemt aan de activiteit kan duidelijk worden vastgesteld (voorbeeld : groep van 20 personen waarvan er 6 tot de doelgroep behoren; 6/20 van de uitgave mag op de toelage worden aangerekend)
    2. Het publiek dat deelneemt aan de activiteit is gemengd en niet bepaald : het OCMW past een verdeelsleutel toe op basis van een raming van het aantal personen dat tot het doelpubliek van het OCMW behoort (bijvoorbeeld 30% van de deelnemers wordt geacht tot de doelgroep van het OCMW te behoren; 3/10 van de uitgave mag op de toelage worden aangerekend)
  2. Wie behoort tot de doelgroep van de toelage voor participatie en sociale activering?

    De toelage kan ingezet worden voor de gebruikers van het OCMW in de ruime zin, dit wil zeggen iedere persoon die gebruik maakt van gelijk welke vorm van openbare dienstverlening die behoort tot de opdrachten van het OCMW. Die dienstverlening moet in de ruimst mogelijke betekenis begrepen worden. Men mag het gebruik van de toelage dus niet beperken tot personen die recht hebben op een leefloon (of een andere sociale uitkering).

    Personen die geen recht hebben op leefloon maar toch een beroep doen op een dienstverlening van het OCMW (voorbeelden: kinderdagverblijf, poetshulp, thuismaaltijden, woonzorgcentrum, serviceflats, advies en administratieve hulp bij het verwerven van een uitkering, budgetbegeleiding, het Sociaal Gas- en Elektriciteitsfonds,  tewerkstelling met toepassing van artikel 60, §7,…) of die bij het OCMW slechts één enkele tussenkomst aanvragen in het kader van deze toelage (bijvoorbeeld: aanvraag voor de ten laste neming van een sportabonnement,…) kunnen dus eveneens van deze maatregel genieten.

    Wel moet het feit dat ze OCMW-gebruiker zijn aantoonbaar zijn via bepaalde bewijsstukken (bijvoorbeeld inschrijving in het register, beslissing, elementen uit het sociaal dossier, ...).

    Het komt aan het OCMW toe om de staat van behoeftigheid van de persoon na te gaan en om de billijkheid af te wegen bij het toekennen van een welbepaald voordeel.

    De hierna opgesomde personen behoren niet tot de doelgroep :

    • personen die onwettig op het grondgebied verblijven;
    • personen van wie de kwetsbare toestand niet kan worden aangetoond in het sociaal onderzoek van het OCMW in het kader van een aanvraag voor individuele steun;
    • asielzoekers en niet begeleide minderjarige vreemdelingen die in een lokaal opvanginitiatief verblijven overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. De toelage vanuit FEDASIL om de kosten van deze bewoners te dekken, moet ook worden gebruikt om de kosten te dekken in het kader van activiteiten ter bevordering van de maatschappelijke participatie en sociale activering.
  3. Wat wordt begrepen onder “collectieve module” ?

    Collectieve modules worden in de context van de toelage voor participatie en sociale activering gedefinieerd als een samenhangend geheel van meerdere activiteiten die in groepsverband worden uitgevoerd met het oog op het bereiken van een welbepaald doel (= trajectmatige benadering). Het aspect van de groepsdynamiek is hierbij zeer belangrijk. De deelnemers worden in functie van het thema en het beoogde resultaat geselecteerd onder de OCMW-gebruikers.

    Het is de bedoeling dat een deelnemer aan een collectieve module een zekere kennis, vaardigheid, inzicht, gedragsverandering, … verwerft die hij in zijn dagelijks leven kan toepassen. Dat hij met andere woorden evolueert, een zekere vooruitgang boekt, hij na afloop van de collectieve module verder staat dan bij de aanvang ervan. Met “een meetbare vooruitgang geboekt hebben” wordt dan ook de vaststelling van een positieve evolutie bedoeld die terug te voeren is op het deelnemen aan een collectieve module.

    Voorbeelden van dergelijke modules zijn cursussen en workshops rond budgetbeheer, gezonde voeding, taalverwerving, attitudetraining, omgaan met gezag, zelfstandig het openbaar vervoer nemen, opwaarderen van het zelfbeeld …

    Eénmalige groepsactiviteiten, zoals uitstappen of bijeenkomsten (vb. Sinterklaasfeesten), worden niet als collectieve modules beschouwd omdat er hier geen sprake is van een trajectmatige aanpak. Ze kunnen wel geplaatst worden binnen het luik 'bevorderen van maatschappelijke participatie'.

  4. Wat is het onderscheid tussen sociale en professionele activering ?

    Met de zesde Staatshervorming werd de bevoegdheid van professionele activering overgeheveld naar de Gewesten. Bijgevolg kunnen er vanuit het federale niveau geen initiatieven meer gefinancierd worden die onder het bevoegdheidsdomein ‘professionele activering’ vallen.

    De grens tussen professionele en sociale activering wordt hierbij als volgt getrokken:

    • vallen onder sociale activering: vooropleidingen en workshops gericht op het ontwikkelen en bijbrengen van algemene vaardigheden, alsook vaardigheden die voorbereiden op een professioneel traject (vb. werken rond taal, zelfvertrouwen en positief zelfbeeld, rond (arbeids)attitude, stiptheid, leren omgaan met gezag, rond communicatievaardigheden, mobiliteit, sollicitatietraining, …) → kosten komen in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering
    • vallen onder professionele activering: vooropleidingen die uitsluitend gericht zijn op het verwerven van beroepsspecifieke vaardigheden (vb. vooropleiding bouw, horeca) en eigenlijke beroepsopleidingen → kosten komen niet in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering aangezien ze zich volledig op het domein van de professionele activering bevinden
  5. Wat is het doel van de toelage voor participatie en sociale activering ?

    Het doel van de toelage is tweeledig :

    • enerzijds het verhogen van de zelfredzaamheid, de weerbaarheid en de maatschappelijke betrokkenheid van de OCMW-gebruikers en het doorbreken van hun sociaal isolement door hen bepaalde vaardigheden bij te brengen en hen aan te moedigen om deel te nemen aan maatschappelijk zinvolle activiteiten;
    • anderzijds het bestrijden van kinderarmoede door het verlenen van psychologische ondersteuning, onderwijsondersteuning, pedagogische ondersteuning, paramedische ondersteuning en het financieren van de deelname aan sociale programma’s.
  6. Is het mogelijk om als kunstenaar, tevens gerechtigde op maatschappelijke integratie, prestaties in het buitenland te leveren, langer dan 4 weken?

    De regelgeving staat toe dat een gerechtigde op maatschappelijke integratie in de loop van het jaar 4 weken naar het buitenland kan gaan zonder zijn recht op maatschappelijke integratie te verliezen. Het OCMW kan echter beslissen dat uitzonderlijke omstandigheden een langer verblijf in het buitenland rechtvaardigen, bijvoorbeeld in het geval van een tentoonstellingsproject of een stage in het buitenland.

  7. Een kunstenaar ontvangt inkomsten uit zijn/haar artistieke activiteit. Kan hij/zij in aanmerking komen voor de socio-professionele vrijstelling?

    Het is noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de soorten inkomsten. Indien de inkomsten uit deze activiteiten periodiek zijn (enkele dagen per maand of om de twee maanden), kan de gewone socio-professionele vrijstelling (SPI) worden toegepast. Dit is bijvoorbeeld het geval voor een acteur, zanger, clown of goochelaar die een paar optredens per maand geeft.

    Indien de activiteit daarentegen eenmalig is, kan de socio-professionele vrijstelling voor inkomsten die voortvloeien uit een artistieke activiteit worden toegepast. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de verkoop van een schilderij, een beeldhouwwerk, unieke auteursrechten, .... 

  8. Kan iemand die een artistieke activiteit wil opstarten, aanspraak maken op het recht op maatschappelijke integratie?

    Ja, één van de voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie is de werkbereidheid. Deze voorwaarde moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete doelstellingen en mogelijkheden en de persoonlijke inspanningen van de betrokkene. Het doel is niet dat de activiteit onmiddellijk winstgevend is zonder vooruit te kijken naar de toekomst maar integendeel dat de persoon mettertijd in staat is om met zijn artistieke activiteit een toekomst uit te bouwen zonder de hulp van het OCMW.

    Bijgevolg kan het OCMW een kunstenaar de nodige en redelijke tijd geven om zijn of haar artistiek project op te zetten. Tijdens deze periode kan het leefloon worden toegekend. Deze toekenning kan echter niet ad vitam gebeuren vermits het niet de bedoeling is dat de overheid eindeloos in deze mensen investeert.

md xs sm lg