Veelgestelde vragen

  1. Hebben studenten die werken recht op de vrijstelling sociaal-professionele integratie (SPI)?

    Ja. Het bedrag van de vrijstelling varieert naargelang de student al dan niet geniet van een studiebeurs. Zo geniet momenteel (01/01/2018) een student zonder studiebeurs van een maandelijkse vrijstelling van 264,13 € en een student met studiebeurs van een maandelijkse vrijstelling van 73,67 €.

    Referenties: Artikel 35§2 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie

  2. Welke huishoudens behoren tot categorie 2?

    Huishoudens met een laag inkomen: het bedrag van het bruto belastbaar jaarinkomen van het huishouden is lager dan of gelijk aan 20.763,88 € (vanaf 01/01/2022) vermeerderd met 3.843,96 € (vanaf 01/01/2022) per persoon ten laste.

    Om als persoon ten laste te worden beschouwd, dient het netto inkomen lager te zijn dan 3.410,00 € (vanaf 01/01/2022), de gezinsbijslag en het onderhoudsgeld voor kinderen niet meegeteld.

  3. Wanneer veel gegevens moeten ingevoerd worden voor de jaarlijkse verantwoording van de toelage voor participatie en sociale activering, kunnen de OCMW’s gebruik maken van een welbepaalde tabel. Waar is die tabel te vinden ?

    De tabel wordt ter beschikking gesteld van de OCMW's op de website van de POD Maatschappelijke Integratie in de vorm van een Excelbestand en dit telkens bij het begin van het toelagejaar zodat de OCMW’s deze tabel in de loop van het jaar kunnen invullen. Dit Excelrekenblad kunt u terugvinden op : https://www.mi-is.be/nl/tools-ocmw/uniek-jaarverslag, onder het tabblad “Document”.

    Wanneer het OCMW ervoor kiest om van deze tabel gebruik te maken, moet de tabel voor de volledige maatregel worden gebruikt. Het is niet mogelijk een deel via het daartoe voorziene formulier in de toepassing van het Uniek Jaarverslag en een deel via de tabel in te vullen.

    Enkel de tabel die online ter beschikking wordt gesteld, wordt aanvaard.

     

  4. Wat wordt begrepen onder investering ?

    Met investeringsuitgaven worden uitgaven bedoeld voor de aanschaf van goederen die langer dan één jaar worden gebruikt en in de OCMW-boekhouding worden afgeschreven, dit in tegenstelling tot verbruiksgoederen die als werkingskosten worden afgeboekt. Uitgaven voor investeringen komen niet in aanmerking voor de toelage voor participatie en sociale activering.

    Uitgaven ten voordele van OCMW-gebruikers voor de aanschaf van goederen die langer dan één jaar worden gebruikt, worden niet beschouwd als investeringsuitgaven maar als een vorm van maatschappelijke dienstverlening. Het OCMW is hierbij vrij om de omvang van de tussenkomst te bepalen, voor zover het toegekende voordeel billijk is.

  5. Hoe moet de financiering worden geregeld van een activiteit die zich tot een gemengd publiek richt?

    Enkel de financiering van activiteiten bestemd voor het doelpubliek wordt ten laste genomen door de toelage voor participatie en sociale activering.

    Wanneer de activiteit bestemd is voor een publiek dat samengesteld is uit personen waarvoor het OCMW wel en niet kan tussenkomen in de kosten, moet als volgt gehandeld worden:

    1. Het aantal begunstigden dat deelneemt aan de activiteit kan duidelijk worden vastgesteld (voorbeeld : groep van 20 personen waarvan er 6 tot de doelgroep behoren; 6/20 van de uitgave mag op de toelage worden aangerekend)
    2. Het publiek dat deelneemt aan de activiteit is gemengd en niet bepaald : het OCMW past een verdeelsleutel toe op basis van een raming van het aantal personen dat tot het doelpubliek van het OCMW behoort (bijvoorbeeld 30% van de deelnemers wordt geacht tot de doelgroep van het OCMW te behoren; 3/10 van de uitgave mag op de toelage worden aangerekend)
  6. Wie behoort tot de doelgroep van de toelage voor participatie en sociale activering?

    De toelage kan ingezet worden voor de gebruikers van het OCMW in de ruime zin, dit wil zeggen iedere persoon die gebruik maakt van gelijk welke vorm van openbare dienstverlening die behoort tot de opdrachten van het OCMW. Die dienstverlening moet in de ruimst mogelijke betekenis begrepen worden. Men mag het gebruik van de toelage dus niet beperken tot personen die recht hebben op een leefloon (of een andere sociale uitkering).

    Personen die geen recht hebben op leefloon maar toch een beroep doen op een dienstverlening van het OCMW (voorbeelden: kinderdagverblijf, poetshulp, thuismaaltijden, woonzorgcentrum, serviceflats, advies en administratieve hulp bij het verwerven van een uitkering, budgetbegeleiding, het Sociaal Gas- en Elektriciteitsfonds,  tewerkstelling met toepassing van artikel 60, §7,…) of die bij het OCMW slechts één enkele tussenkomst aanvragen in het kader van deze toelage (bijvoorbeeld: aanvraag voor de ten laste neming van een sportabonnement,…) kunnen dus eveneens van deze maatregel genieten.

    Wel moet het feit dat ze OCMW-gebruiker zijn aantoonbaar zijn via bepaalde bewijsstukken (bijvoorbeeld inschrijving in het register, beslissing, elementen uit het sociaal dossier, ...).

    Het komt aan het OCMW toe om de staat van behoeftigheid van de persoon na te gaan en om de billijkheid af te wegen bij het toekennen van een welbepaald voordeel.

    De hierna opgesomde personen behoren niet tot de doelgroep :

    • personen die onwettig op het grondgebied verblijven;
    • personen van wie de kwetsbare toestand niet kan worden aangetoond in het sociaal onderzoek van het OCMW in het kader van een aanvraag voor individuele steun;
    • asielzoekers en niet begeleide minderjarige vreemdelingen die in een lokaal opvanginitiatief verblijven overeenkomstig de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen. De toelage vanuit FEDASIL om de kosten van deze bewoners te dekken, moet ook worden gebruikt om de kosten te dekken in het kader van activiteiten ter bevordering van de maatschappelijke participatie en sociale activering.
md xs sm lg