Veelgestelde vragen

  1. Hoe weet men of de aanvrager een beslissing heeft ontvangen tot beëindiging van het recht op de inschakelingsuitkering?

    Deze informatie zal in principe beschikbaar zijn via de KSZ-stroom. De raadpleging en de registratie van deze raadpleging is voldoende om het effectieve einde van het recht van de aanvrager te bepalen.

    Er zal enkel een attest van de RVA of van de betalingsinstelling geëist worden door de dienst Inspectie van de POD Maatschappelijke Integratie wanneer de informatie niet beschikbaar is in de stroom.

  2. Kan het OCMW een beslissing tot toekenning met retroactief effect tot 1 januari 2015 nemen wanneer de aanvrager een beslissing heeft ontvangen tot beëindiging van het recht op de inschakelingsuitkeringen?

    Overeenkomstig artikel 21 van de wet van 26/05/2002 heeft een toekenning uitwerking vanaf de datum van de aanvraag. Nochtans, zoals artikel 18 §1 van voornoemde wet verduidelijkt, kan het OCMW eveneens het recht op eigen initiatief toekennen op de datum waarop het OCMW vaststelt dat aan de voorwaarden voldaan werd.

    Uitzonderlijk wordt er toegestaan dat het OCMW een beslissing tot ambtshalve toekenning met terugwerkende kracht tot 01/01/2015 kan nemen, met name wanneer het OCMW vaststelt dat het recht op maatschappelijke integratie geopend kan worden op 01/01/2015 omwille van het einde van het recht op de inschakelingsuitkering.

    Vanaf het moment van de aanvraag kan het OCMW eveneens instemmen met voorschotten (bijvoorbeeld inzake dringende hulp) om ervoor te zorgen dat de persoon kan leven in afwachting van de beslissing van het OCMW.

  3. Hoe kan het OCMW in januari en februari het hoofd bieden aan de toevloed van aanvragers omwille van de bepalingen in verband met de beëindiging van het recht op de inschakelingsuitkeringen?

    Overeenkomstig artikel 21 §1 van de wet van 26/05/2002 moet er een beslissing worden genomen binnen de 30 dagen die volgen op de ontvangst van de aanvraag.

    Er zal echter, uitzonderlijk en in deze bijzondere situatie, een bepaalde soepelheid worden toegestaan in verband met de volledigheid van het sociaal onderzoek dat voorafgaat aan de toekenning: wanneer het OCMW, op basis van de raadpleging van de KSZ-stromen, van het rijksregister en van de informatie die door de aanvrager verstrekt wordt tijdens het gesprek, de eerste bewijskrachtige elementen kan verkrijgen die aantonen dat er een potentieel recht bestaat, dan kan er op deze basis binnen de 30 dagen een beslissing worden genomen. De maatschappelijk werker kan vervolgens zijn sociaal onderzoek vervolledigen en, indien nodig, het dossier opnieuw voorbrengen bij de raad voor maatschappelijk welzijn (of HRSZ) om de genomen beslissing te bevestigen of nietig te verklaren.

  4. Heeft het familielid van een Belg recht op maatschappelijke dienstverlening?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke dienstverlening op voorwaarde dat er een periode van drie maanden verstreken is sinds de afgifte van de bijlage 19 of de bijlage 19ter. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, E-kaart, F-kaart, bijlage 21, bijlage 35 recht heeft op maatschappelijke dienstverlening indien er een periode van drie maanden verstreken is sinds de afgifte van de bijlage 19 of de bijlage 19ter. Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van de aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 57quinquies van de Organieke wet

  5. Heeft (het familielid van) een Unieburger die in de hoedanigheid van student of houder van voldoende bestaansmiddelen op ons grondgebied verblijft, recht op maatschappelijke dienstverlening

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke dienstverlening op voorwaarde dat er een periode van drie maanden verstreken is sinds de afgifte van de bijlage 19 of de bijlage 19ter. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, E-kaart, F-kaart, bijlage 21, bijlage 35 recht heeft op maatschappelijke dienstverlening indien er een periode van drie maanden verstreken is sinds de afgifte van de bijlage 19 of de bijlage 19ter. Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van de aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 57quinquies van de Organieke wet

  6. Heeft (het familielid van) een Unieburger die in de hoedanigheid van werkzoekende op ons grondgebied verblijft, recht op maatschappelijke dienstverlening ?

    De betrokkene heeft geen recht op maatschappelijke dienstverlening en dit gedurende de hele periode dat hij in die hoedanigheid op ons grondgebied verblijft. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, E-kaart, F-kaart, bijlage 21, bijlage 35 geen recht heeft op maatschappelijke dienstverlening.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 57quinquies van de Organieke wet

  7. Heeft (het familielid van) een Unieburger die in de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige op ons grondgebied verblijft, recht op maatschappelijke dienstverlening ?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke dienstverlening op voorwaarde dat hij een aanvraag tot een verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft ingediend (bijlage 19 of bijlage 19ter) of dit verblijfsrecht van meer dan drie maanden bekomen heeft (E-kaart of F-kaart). Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, E-kaart F-kaart, bijlage 21, bijlage 35 recht heeft op maatschappelijke dienstverlening.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 57quinquies van de Organieke wet

  8. Heeft (het familielid van) een Unieburger die in de hoedanigheid van werknemer of zelfstandige op ons grondgebied verblijft, recht op maatschappelijke integratie ?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke integratie op voorwaarde dat hij een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden (E-kaart of F-kaart). Indien de betrokkene dit verblijfsrecht nog niet of niet langer heeft, is er dus ook geen recht op maatschappelijke integratie. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, bijlage 21 of bijlage 35 geen recht heeft op maatschappelijke integratie.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 3, 3°, 2de streepje van de RMI-wet

  9. Heeft het familielid van een Belg recht op maatschappelijke integratie ?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke integratie op voorwaarde dat hij een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden (E-kaart of F-kaart) EN een effectief verblijf van drie maanden in die hoedanigheid op ons grondgebied heeft, te rekenen vanaf de afgifte van de bijlage 19 of bijlage 19ter.

    Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart .

    Indien de betrokkene dit verblijfsrecht nog niet of niet langer heeft, is er dus ook geen recht op maatschappelijke integratie. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, bijlage 21 of bijlage 35 geen recht heeft op maatschappelijke integratie.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 3, 3°, 2de streepje van de RMI-wet

  10. Heeft (het familielid van) een Unieburger die in de hoedanigheid van werkzoekende, houder van voldoende bestaansmiddelen of student op ons grondgebied verblijft, recht op maatschappelijke integratie ?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke integratie op voorwaarde dat hij een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden (E-kaart of F-kaart) EN een effectief verblijf van drie maanden in die hoedanigheid op ons grondgebied heeft, te rekenen vanaf de afgifte van de bijlage 19 of bijlage 19ter.

    Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart .

    Indien de betrokkene dit verblijfsrecht nog niet of niet langer heeft, is er dus ook geen recht op maatschappelijke integratie. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, bijlage 21 of bijlage 35 geen recht heeft op maatschappelijke integratie.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 3, 3°, 2de streepje van de RMI-wet

md xs sm lg