Veelgestelde vragen

  1. Welke specifieke bewijsstukken moet de aanvrager die in een appartement woont indienen?

    De aanvrager bezorgt het OCMW: - een kopie van de algemene factuur; - een document waarin de eigenaar of de beheerder van het gebouw het aantal woningen bevestigt waarop de factuur betrekking heeft. In principe moet het leveringsadres van de brandstof die in aanmerking komt gelijk zijn aan het adres van de hoofdwoning van de aanvrager. Indien niet aan deze voorwaarde is voldaan, omdat de aanvrager in een huis woont dat deel uitmaakt van een sociale woonwijk met een gemeenschappelijke tank, moet de betrokkene hiervan het bewijs leveren via een attest opgesteld door de beheerder van de sociale woonwijk.

  2. Worden er voor de berekening van de bestaansmiddelen voordelen in natura in aanmerking genomen?

    Ja, het gaat hier om de kosten van huisvesting die de hoofdverblijfplaats van de aanvrager is, die iemand anders die niet met de leefloongerechtigde samenwoont, op zich neemt.

    Referenties: 
    Wetteksten: wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie
    Artikel 33 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie

  3. Hoe wordt de verwarmingstoelage berekend in de appartementsgebouwen?

    Het aantal liters dat in aanmerking moet worden genomen per woning wordt berekend volgens de volgende formule: het totaalbedrag van de liters brandstof die in aanmerking komt, vermeld op de factuur / het aantal woningen van het appartement waarop de factuur betrekking heeft.

  4. Hoe worden de bestaansmiddelen in aanmerking genomen bij de berekening van het leefloon?

    De bestaansmiddelen worden in aanmerking genomen volgens de regels die vermeld worden in artikel 16 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en in de artikelen 22 tot en met 35 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie.

    Gelet op de autonomie van de OCMW ‘s is de POD Maatschappelijke Integratie niet gemachtigd om zich uit te spreken over de concrete gevallen van berekening van bestaansmiddelen. De POD MI staat echter ter beschikking van de OCMW ‘s om de algemene regels te herhalen die ter zake van toepassing zijn.

  5. Kan het OCMW beslissen om het leefloon toch niet terug te vorderen bij de onderhoudsplichtigen?

    Het OCMW kan beslissen om het leefloon niet terug te vorderen om redenen van billijkheid.
    Voorbeelden van billijkheidsredenen zijn een verstoorde familiale relatie of de bescheiden inkomsten van de onderhoudsplichtige.

    Referenties Wetteksten:
    art. 54 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie


  6. Kunnen personen die in een rusthuis, een opvangtehuis of in een ziekenhuis verblijven, deze toelage genieten?

    Neen, de maatregel heeft betrekking op personen die zelf de stijging van de in aanmerking komende brandstoffen ondergaan. De toelage mag dus niet worden toegekend aan personen: - die in een rusthuis wonen; - die in een opvangtehuis wonen; - die in een ziekenhuis verblijven; - of in gelijk welke andere woning waar de personen verblijfskosten betalen of die werkingssubsidies genieten.

  7. Welke prijs moet in aanmerking worden genomen?

    De prijs die in aanmerking moet worden genomen, is de prijs die in ieder afzonderlijk geval gefactureerd wordt. Onder gefactureerde prijs moet worden verstaan: - de prijs inclusief BTW; - de werkelijk betaalde prijs: als de betrokkene een korting heeft genoten, wordt het bedrag van de korting afgetrokken van het basisbedrag. De toevoeging mag niet in aanmerking worden genomen, wanneer deze apart vermeld wordt van de brandstof die in aanmerking wordt genomen.

md xs sm lg