Veelgestelde vragen

  1. Wie kan als student beschouwd worden?

    Voor de territoriale bevoegdheid zal een jongere die pas studies volgt als hij al 25 jaar oud is, niet beantwoorden aan de voorwaarden voorzien in artikel 2, §6, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

    Anderzijds kan hier niet worden uit afgeleid dat studenten vanaf 25 jaar die een studie aanvangen op het ogenblik dat ze steun aanvragen, per definitie van het recht op steun zijn uitgesloten.

    Het OCMW moet steeds nagaan of het volgen van ‘studies met voltijds leerplan’ voor de student vanaf 25 jaar een billijkheidsreden vormt, die hem van de plicht tot werkbereidheid ontslaat.

  2. Wat omhelst studies met voltijds leerplan?

    De betekenis van studies met voltijds leerplan is dubbel :

    Het effectief volgen van de opleiding waarvoor de student is ingeschreven in een door de Gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling

    De gevolgde studies moeten kunnen leiden tot het behalen van een diploma dat overeenstemt met een diploma behaald door het volgen van studies met voltijds leerplan.

    Het zijn de bevoegde Gemeenschappen die omtrent de diploma’s attesteren.

  3. Wat houdt de werkbereidheid in voor studenten?

    Voor een student voorziet het Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI) doorgaans werkbereidheid tijdens de periodes die met de studies verenigbaar zijn, tenzij gezondheids- of billijkheidsredenen dit verhinderen.

    Dit moet individueel beoordeeld worden door het OCMW rekening houdend met concrete elementen zoals aantal lesuren, stages, eindwerk, examens (met inbegrip van deze van de zogenaamde septemberzittijd), …

  4. Een student die langer dan een maand in het buitenland verblijft, kan hij het leefloon behouden?

    De student die langer dan een maand in het buitenland verblijft, behoudt het leefloon, indien:

    • Behoud van de gewoonlijke verblijfplaats in België
    • Inschrijving in een onderwijsinstelling voor Hoger Onderwijs in België
    • Het verblijf in het buiteland deel uitmaakt van het programma van de opleiding of daarmee onlosmakelijk verbonden is

    Voorbeelden: het volgen van een stage, uitwisseling binnen Erasmus, Erasmus Mundus, VLIR-CUD, CIUF-CUD, enz.

  5. Wie kan een beroep doen op het fonds voor participatie en sociale activering?

    De doelgroep moet zo ruim mogelijk worden begrepen. Iedere persoon die steun krijgt van het OCMW of van wie uit het sociale onderzoek blijkt dat hij of zij beantwoordt aan de voorwaarden om steun te krijgen (bijvoorbeeld administratieve tussenkomst, sociale hulp, financiële hulp enzovoort) kan een beroep doen op het fonds. 

    Alleen de volgende groepen zijn uitgesloten:

    • illegalen

    • personen van wie de kwetsbare positie niet kan worden aangetoond in het sociaal onderzoek van het OCMW in het kader van een aanvraag voor individuele steun.

    • Personen in een ILA en de NBMV (materiële hulp) behoren niet tot de doelgroep omdat het dagelijks forfait betaald door FEDASIL ook moet worden gebruikt in het kader van zijn activiteiten (herinnering wetgeving: opvangstructuur 07/01/07). Bovendien kan wie in een ILA verblijft uitsluitend op materiële hulp aanspraak maken.

  6. Kan een OCMW iemand tewerk stellen met toepassing van artikel 60§7 die inschakelingsuitkeringen krijgen van de RVA ?

    Ja. De jonge schoolverlaters dienen, ongeacht hun leeftijd, eerst een beroepsinschakelingstijd van 310 dagen te vervullen, vooraleer zij aanspraak kunnen maken op inschakelingsuitkeringen. Het OCMW kan een jongere tewerkstellen met toepassing van artikel 60§7 voor de duur die noodzakelijk is om gerechtigd te worden op een volledige werkloosheidsuitkering op basis van tewerkstelling en niet op basis van studies. Gedurende heel deze periode blijft de toelage verschuldigd.

  7. Kan een persoon die geschorst is door de RVA geactiveerd worden met toepassing van artikel 60§7 van de organieke wet op de OCMW’s van 1976 ?

    Ja. De toepassing van artikel 60§7 heeft in dit kader 2 doelstellingen :

    a) indien de geschorste persoon een stage moet doorlopen zodat de schorsing opgegeven zou worden, dan kan deze persoon een aantal dagen presteren binnen een bepaalde referentieperiode. Na deze periode is deze persoon terug sociaal verzekerd. De persoon kan (terug) genieten van volledige sociale uitkeringen. De periode van artikel 60§7 wordt beschouwd als een stage.

    b) indien de geschorste persoon in het kader van zijn sanctie geen stage moet doorlopen , dan kan het OCMW ervoor opteren om de persoon aan het werk te zetten met toepassing van art.60§7. In dit geval heeft deze activering tot doel de cliënt een werkervaring aan te reiken, wat het risico op een nieuwe schorsing zou moeten voorkome
     

    Maar, in de twee gevallen, mag de subsidieringsperiode van de tewerkstelling, niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen (artikel 60§7 – OW 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn).

    Dit gegeven vloeit voort uit het residuair karakter van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Indien een rechthebbende op maatschappelijke integratie in de vorm van een tewerkstelling ondertussen gerechtigd blijkt te zijn op bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen, kan hij niet meer bij het OCMW aankloppen om beroep te doen op het recht op maatschappelijke integratie.

md xs sm lg