Veelgestelde vragen

  1. Wie behoort tot de eerste categorie?

    De begunstigden van de verhoogde tussenkomt van de ziekte- en invaliditeitsverzekering (RVV):

    • weduwe of weduwnaar, invalide, gepensioneerde of wees

    • gehandicapt kind met een verhoogde kinderbijslag

    • langdurig werkloze (sinds meer dan een jaar) ouder dan 50 jaar

    • begunstigde van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO)

    • begunstigde van een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap

    • begunstigde van een leefloon (LL)

    • begunstigde van een equivalent leefloon en het bedrag van het bruto belastbaar jaarinkomen van het gezin is lager dan of gelijk aan € 18.363,39 vermeerderd met € 3.399,56 per persoon ten laste (voor de aanvragen ingediend vanaf 1 september 2017).

  2. Welke huishoudens behoren tot categorie 2?

    Huishoudens met een laag inkomen: het bedrag van het bruto belastbaar jaarinkomen van het huishouden is lager dan of gelijk aan € 18.363,39 (vanaf 1/09/2017) vermeerderd met € 3.399,56 (vanaf 1/09/2017) per persoon ten laste.

    Om als persoon ten laste te worden beschouwd, dient het netto inkomen lager te zijn dan 3.140€, de gezinsbijslag en het onderhoudsgeld voor kinderen niet meegeteld.

  3. Geeft een bijlage 15 waarvan het zesde vakje aangevinkt werd recht op maatschappelijke integratie en/of maatschappelijke dienstverlening?

    Het opschrift van het zesde vakje luidt: om een procedure artikel 110 bis op te starten (art. 110 bis).

     

    Er kan een bijlage 15 afgeleverd worden aan de vreemdeling die het slachtoffer is van mensenhandel of mensenhandel indien deze niet over een verblijfstitel beschikt.

     

    De betrokkene kan aanspraak maken op het recht op maatschappelijke dienstverlening tijdens de geldigheidsduur van zijn bijlage 15.

  4. Kunnen de vergoedingen die door de stagiair worden ontvangen in het kader van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2016 betreffende de stage eerste werkervaring, vrijgesteld worden bij de berekening van het leefloon?

    Artikel 22, §1, r) van het KB algemeen regelement wordt naar analogie toegepast. Dit betekent het volgende:

     

    - Voor wat betreft de stage-uitkering betaald door Actiris: deze kan niet worden vrijgesteld op grond van artikel 22 §1 KB algemeen reglement. Indien aan alle voorwaarden zijn voldaan, kan uiteraard de SPI-vrijstelling hierop wel toegepast worden.

     

    - Voor wat betreft de stagevergoeding van 200€ betaald door de stagegever, deze kan beschouwd worden als een vergoeding in het kader van artikel 22 §1, r) van het KB algemeen reglement en dus worden vrijgesteld.

  5. Kan een minderjarige die door de dienst ‘Voogdij’ van de FOD Justitie is geïdentificeerd als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, een recht op maatschappelijke dienstverlening openen?

    Ja, een minderjarige die door de dienst ‘Voogdij’ van de FOD Justitie is geïdentificeerd als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, kan een recht op maatschappelijke dienstverlening openen indien deze minderjarige zich in een staat van behoeftigheid bevindt. Indien deze minderjarige geniet van materiële hulp van Fedasil of een andere instelling, bevindt hij zich niet in een behoeftige staat.

  6. Kan het OCMW de betrokkene verplichten om een gemeenschapsdienst te verrichten?

    Neen. Het verrichten van een gemeenschapsdienst gebeurt op een vrijwillige basis. Het verrichten van een gemeenschapsdienst is één van de elementen aan de hand waarvan kan beoordeeld worden of de betrokkene werkbereid is. Het OCMW moet steeds, zowel in de gevallen waarin een gemeenschapsdienst wordt gepresteerd als in de gevallen waarin er geen wordt gepresteerd, een afweging maken of de betrokkene werkbereid is of niet. Bij die afweging wordt steeds rekening gehouden met de specifieke situatie van de betrokkene. De loutere weigering tot het opnemen van een gemeenschapsdienst in een GPMI kan op zich geen reden zijn om te besluiten dat iemand niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dus niet werkbereid is.

  7. Welke datum moet er worden ingevuld op de terugbetalingsformulieren voor de bijzondere toelage van 10%?

    De bijzondere toelage is ten vroegste verschuldigd  vanaf de eerste dag van de maand waarin het GPMI werd ondertekend voor zover het leefloon reeds was toegekend op het moment dat het GPMI werd ondertekend.

    De bijzondere toelage is verschuldigd vanaf de dag waarop het leefloon is toegekend voor zover het GPMI in dezelfde maand werd ondertekend.

    Voor wat betreft de terugbetalingsformulieren moet de datum worden ingevuld van de zitting waarin het OCMW zijn beslissing tot toekenning, herziening of verlenging van het recht op maatschappelijke integratie heeft genomen. Voor het GPMI betekent dit specifiek het volgende:

    • Wanneer het GPMI ondertekend wordt in dezelfde maand als waarin er een beslissing tot toekenning van het leefloon werd genomen, dan dient deze datum (zijnde de datum van de zitting waarin het OCMW de beslissing tot toekenning van het leefloon heeft genomen) ingevuld te worden op de terugbetalingsformulieren en niet de datum waarop het GPMI werd ondertekend.
    • Wanneer het GPMI niet wordt ondertekend in dezelfde maand als waarin er een beslissing tot toekenning van het leefloon werd genomen, dient de datum te worden ingevuld van de zitting waarop de Raad of het bevoegde orgaan het GPMI heeft onderschreven (dit wil niet zeggen dat de Raad het GPMI moet ondertekenen. Het betreft een eenvoudige vermelding op de zitting dat het GPMI werd getekend voor de betrokkene).
  8. Heeft het OCMW recht op een bijzondere toelage wanneer er een facultatief GPMI is afgesloten met een persoon met een tewerkstellingsmaatregel zoals artikel 60 §7?

    Indien de voorwaarden zoals vermeld in punt 1.2. van de omzendbrief van 12 oktober 2016 zijn voldaan, bedraagt de bijzondere toelage 10% van het toegekende bedrag van het leefloon. Dit betekent dat het OCMW voor een betrokkene met een tewerkstellingsmaatregel zoals artikel 60§7 die een aanvullend leefloon geniet, een bijzondere toelage van 10%  kan genieten, berekend op het bedrag van het aanvullend leefloon dat werd toegekend aan deze betrokkene.

  9. Heeft het familielid van een Belg recht op maatschappelijke integratie ?

    De betrokkene heeft recht op maatschappelijke integratie op voorwaarde dat hij een verblijfsrecht heeft van meer dan drie maanden (E-kaart of F-kaart) EN een effectief verblijf van drie maanden in die hoedanigheid op ons grondgebied heeft te rekenen vanaf de afgifte van de bijlage 19 of bijlage 19ter.

    Indien er geen bijlage 19 of bijlage 19ter werd afgeleverd, begint de termijn van drie maanden te lopen vanaf de datum van aanvang van de geldigheid van de E-kaart of F-kaart .

    Indien de betrokkene dit verblijfsrecht nog niet of niet langer heeft, is er dus ook geen recht op maatschappelijke integratie. Concreet betekent dit dat de betrokkene die in het bezit is van een bijlage 19, bijlage 19ter, bijlage 20, bijlage 21 of bijlage 35 geen recht heeft op maatschappelijke integratie.

    Deze FAQ behandelt slechts één aspect van de voorwaarden die moeten voldaan zijn om aanspraak te kunnen maken op dit recht.

    Juridische grondslag: artikel 3, 3°, 2de streepje van de RMI-wet

  10. Voor jongeren, komende uit een voorziening van Bijzondere Jeugdbijstand, is het samenhuizen vaak een passende oplossing als transitfase tussen de instelling waar ze verbleven en volledig apart leven. Eenzaamheid is het grootste probleem waar deze jongeren mee kampen. Kunnen jongeren, komende uit een voorziening van Bijzondere Jeugdbijstand, die besluiten samen te wonen in een vorm van co-housing, beschouwd worden als alleenstaande voor de toekenning van het recht op maatschappelijke integratie ?

    Onder samenwoning wordt verstaan dat personen onder hetzelfde dak wonen en hun huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen. De wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie voorziet dat de beslissing of een aanvrager van het leefloon als ‘samenwonende’ dan wel als ‘alleenstaande’ dient te worden beschouwd, gebaseerd is op een sociaal onderzoek van de feitelijke situatie. Er werd niet geopteerd om voor alle samenlevingsvormen (co-housing, mantelzorg, ed..) a priori te bepalen tot welke categorie deze samenlevingsvorm behoort. Er zijn nog studies lopende of de regelgeving aangepast moet worden aan de nieuwe samenlevingsvormen. In de huidige regelgeving behoort het tot de taak van het OCMW aan de hand van het sociaal onderzoek uit te maken welke categorie de feitelijke situatie het meest benadert.

    Een aanvrager van het leefloon kan co-housen en na sociaal onderzoek kan het OCMW toch beslissen dat deze uit de samenwoning geen economisch-financieel voordeel haalt en dus categorie ‘alleenstaande’ toekennen.

     

Pages

md xs sm lg