Veelgestelde vragen

  1. Mag de socioprofessionele vrijstelling eveneens toegepast worden op het equivalent leefloon?

    Er is geen enkele wettelijke verplichting die de OCMW’s oplegt om de regels voor de berekening van de bestaansmiddelen, voorzien in de wet van 26 mei 2002, toe te passen op de begunstigden van het equivalent leefloon. Het al dan niet toekennen van financiële maatschappelijke dienstverlening, evenals de berekening van het bedrag ervan wordt geheel overgelaten aan de OCMW’s en is gebaseerd op hun evaluatie van de staat van behoeftigheid van de betrokkene. Om billijkheidsredenen passen de OCMW’s echter dezelfde regels toe voor de berekening van de bestaansmiddelen voor wat betreft de begunstigden van een leefloon als voor wat betreft de begunstigden van een equivalent leefloon. Bijgevolg mag de socioprofessionele vrijstelling worden toegepast op het equivalent leefloon.

  2. Wat wordt verstaan onder "analyse van de verwachtingen, vaardigheden, bekwaamheden en behoeften van de persoon" voorafgaand aan het opstellen van het GPMI?

    Vóór het opstellen van het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie en met het oog op een maximale individualisering ervan, moet de maatschappelijk werker een analyse van de behoeften en van de mogelijkheden van de gerechtigde van het recht op maatschappelijke integratie uitvoeren. Artikel 11 van de wet van 26 mei 2002 bepaalt immers : "… Het project gaat uit van de verwachtingen, de vaardigheden, de bekwaamheden en de behoeften van de betrokken persoon en van de mogelijkheden van het centrum. Artikel 11, § 1, van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 (algemeen reglement) verduidelijkt eveneens dat "Alvorens er een contract wordt gesloten, het centrum een beoordeling van de behoeften van de persoon moet hebben gemaakt.".

    Deze analyse van de noden evenals van de mogelijkheden van een persoon is van groot belang omdat aan de hand daarvan de maatschappelijk werker niet alleen de vragen, noden en behoeften alsook belemmeringen en hindernissen van de gerechtigde in kaart kan brengen maar ook de mogelijkheden, bekwaamheden en vaardigheden waarover hij of zij beschikt. Zo kan de maatschappelijk werker samen met de gerechtigde nagaan wat hij of zij wil zijn en wil doen en wat hem of haar verhindert om zijn/haar doelstellingen te bereiken.

    Aldus zal de maatschappelijk werker een duidelijke diagnose kunnen stellen van de sociale toestand van de gerechtigde en relevante actievoorstellen kunnen opstellen in het kader van een GPMI.

    Verschillende thema’s kunnen aangeraakt en behandeld worden naargelang van de realiteit van de betrokken persoon, zoals:

    • de gezinssituatie, gezondheidstoestand, huisvestingstoestand, budgettaire toestand, administratieve toestand, mobiliteitstoestand, opleidingssituatie, beroepssituatie

    Andere invalshoeken zijn eveneens mogelijk om een volledig overzicht te hebben van de moeilijkheden maar ook van het potentieel van de gerechtigde:

    • cultureel leven en ontspanning, zelfbeeld en zelfvertrouwen, communicatievaardigheden, toegang tot de digitale wereld, deel uitmaken van een leefwereld en een sociaal netwerk, in staat zijn zich te organiseren, te plannen, …

    Via al deze thema's zullen de "stabiliserende" en "destabiliserende" elementen (of sterke en zwakke punten) van de gerechtigde worden belicht. De stabiliserende elementen zijn elementen die ondersteunend en versterkend kunnen werken bij het bepalen van de te bereiken doelstellingen in het kader van het GPMI. De destabiliserende elementen zijn de elementen waarop de doelstellingen van het GPMI zijn toegespitst.

    Welke vorm deze analyse van de behoeften en mogelijkheden aanneemt, maakt weinig uit. Ofwel neemt de analyse de vorm aan van een afzonderlijk document, "sociale balans" of "behoefteanalyse" genoemd of een andere benaming, gekozen door het OCMW; ofwel vormt deze analyse een onderdeel van het sociaal verslag. Wat telt is dat kan worden aangetoond dat de hierboven toegelichte behoefteanalyse wel degelijk werd uitgevoerd vóór het opstellen van het GPMI en dat de erin opgenomen doelstellingen beantwoorden aan de elementen die in deze analyse worden aangehaald. 

  3. Wie behoort tot de eerste categorie?

    De begunstigden van de verhoogde tussenkomt van de ziekte- en invaliditeitsverzekering (RVV):

    • weduwe of weduwnaar, invalide, gepensioneerde of wees

    • gehandicapt kind met een verhoogde kinderbijslag

    • langdurig werkloze (sinds meer dan een jaar) ouder dan 50 jaar

    • begunstigde van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO)

    • begunstigde van een inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap

    • begunstigde van een leefloon (LL)

    • begunstigde van een equivalent leefloon en het bedrag van het bruto belastbaar jaarinkomen van het gezin is lager dan of gelijk aan € 18.363,39 vermeerderd met € 3.399,56 per persoon ten laste (voor de aanvragen ingediend vanaf 1 september 2017).

  4. Welke huishoudens behoren tot categorie 2?

    Huishoudens met een laag inkomen: het bedrag van het bruto belastbaar jaarinkomen van het huishouden is lager dan of gelijk aan € 18.363,39 (vanaf 1/09/2017) vermeerderd met € 3.399,56 (vanaf 1/09/2017) per persoon ten laste.

    Om als persoon ten laste te worden beschouwd, dient het netto inkomen lager te zijn dan 3.200€ (vanaf 01/01/2018), de gezinsbijslag en het onderhoudsgeld voor kinderen niet meegeteld.

  5. Geeft een bijlage 15 waarvan het zesde vakje aangevinkt werd recht op maatschappelijke integratie en/of maatschappelijke dienstverlening?

    Het opschrift van het zesde vakje luidt: om een procedure artikel 110 bis op te starten (art. 110 bis).

     

    Er kan een bijlage 15 afgeleverd worden aan de vreemdeling die het slachtoffer is van mensenhandel of mensenhandel indien deze niet over een verblijfstitel beschikt.

     

    De betrokkene kan aanspraak maken op het recht op maatschappelijke dienstverlening tijdens de geldigheidsduur van zijn bijlage 15.

  6. Kunnen de vergoedingen die door de stagiair worden ontvangen in het kader van het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 29 september 2016 betreffende de stage eerste werkervaring, vrijgesteld worden bij de berekening van het leefloon?

    Artikel 22, §1, r) van het KB algemeen regelement wordt naar analogie toegepast. Dit betekent het volgende:

     

    - Voor wat betreft de stage-uitkering betaald door Actiris: deze kan niet worden vrijgesteld op grond van artikel 22 §1 KB algemeen reglement. Indien aan alle voorwaarden zijn voldaan, kan uiteraard de SPI-vrijstelling hierop wel toegepast worden.

     

    - Voor wat betreft de stagevergoeding van 200€ betaald door de stagegever, deze kan beschouwd worden als een vergoeding in het kader van artikel 22 §1, r) van het KB algemeen reglement en dus worden vrijgesteld.

  7. Kan een minderjarige die door de dienst ‘Voogdij’ van de FOD Justitie is geïdentificeerd als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, een recht op maatschappelijke dienstverlening openen?

    Ja, een minderjarige die door de dienst ‘Voogdij’ van de FOD Justitie is geïdentificeerd als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, kan een recht op maatschappelijke dienstverlening openen indien deze minderjarige zich in een staat van behoeftigheid bevindt. Indien deze minderjarige geniet van materiële hulp van Fedasil of een andere instelling, bevindt hij zich niet in een behoeftige staat.

  8. Kan het OCMW de betrokkene verplichten om een gemeenschapsdienst te verrichten?

    Neen. Het verrichten van een gemeenschapsdienst gebeurt op een vrijwillige basis. Het verrichten van een gemeenschapsdienst is één van de elementen aan de hand waarvan kan beoordeeld worden of de betrokkene werkbereid is. Het OCMW moet steeds, zowel in de gevallen waarin een gemeenschapsdienst wordt gepresteerd als in de gevallen waarin er geen wordt gepresteerd, een afweging maken of de betrokkene werkbereid is of niet. Bij die afweging wordt steeds rekening gehouden met de specifieke situatie van de betrokkene. De loutere weigering tot het opnemen van een gemeenschapsdienst in een GPMI kan op zich geen reden zijn om te besluiten dat iemand niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en dus niet werkbereid is.

  9. Welke datum moet er worden ingevuld op de terugbetalingsformulieren voor de bijzondere toelage van 10%?

    De bijzondere toelage is ten vroegste verschuldigd  vanaf de eerste dag van de maand waarin het GPMI werd ondertekend voor zover het leefloon reeds was toegekend op het moment dat het GPMI werd ondertekend.

    De bijzondere toelage is verschuldigd vanaf de dag waarop het leefloon is toegekend voor zover het GPMI in dezelfde maand werd ondertekend.

    Voor wat betreft de terugbetalingsformulieren moet de datum worden ingevuld van de zitting waarin het OCMW zijn beslissing tot toekenning, herziening of verlenging van het recht op maatschappelijke integratie heeft genomen. Voor het GPMI betekent dit specifiek het volgende:

    • Wanneer het GPMI ondertekend wordt in dezelfde maand als waarin er een beslissing tot toekenning van het leefloon werd genomen, dan dient deze datum (zijnde de datum van de zitting waarin het OCMW de beslissing tot toekenning van het leefloon heeft genomen) ingevuld te worden op de terugbetalingsformulieren en niet de datum waarop het GPMI werd ondertekend.
    • Wanneer het GPMI niet wordt ondertekend in dezelfde maand als waarin er een beslissing tot toekenning van het leefloon werd genomen, dient de datum te worden ingevuld van de zitting waarop de Raad of het bevoegde orgaan het GPMI heeft onderschreven (dit wil niet zeggen dat de Raad het GPMI moet ondertekenen. Het betreft een eenvoudige vermelding op de zitting dat het GPMI werd getekend voor de betrokkene).
  10. Heeft het OCMW recht op een bijzondere toelage wanneer er een facultatief GPMI is afgesloten met een persoon met een tewerkstellingsmaatregel zoals artikel 60 §7?

    Indien de voorwaarden zoals vermeld in punt 1.2. van de omzendbrief van 12 oktober 2016 zijn voldaan, bedraagt de bijzondere toelage 10% van het toegekende bedrag van het leefloon. Dit betekent dat het OCMW voor een betrokkene met een tewerkstellingsmaatregel zoals artikel 60§7 die een aanvullend leefloon geniet, een bijzondere toelage van 10%  kan genieten, berekend op het bedrag van het aanvullend leefloon dat werd toegekend aan deze betrokkene.

Pages

md xs sm lg