Veelgestelde vragen

  1. De betrokkene had voor de afvoering van ambtswege een A-kaart. De A-kaart is nog geldig en de betrokkene is meer dan 1 jaar van ambtswege afgevoerd. Waar kan hij aanspraak op maken?

    De vreemdeling die houder is van een geldige A-kaart heeft gedurende 1 jaar een recht op terugkeer. Indien de betrokkene meer dan 1 jaar is afgevoerd, houdt dit in dat vanaf deze afvoering van ambtswege vermoed wordt dat de betrokkene zich niet meer bevindt op het Belgische grondgebied. Hierdoor kan er geen beroep gedaan worden op het recht op terugkeer. Als de betrokkene het Belgische grondgebied niet heeft verlaten, kan hij het vermoeden dat hij het Belgische grondgebied had verlaten, weerleggen. De betrokkene dient zich naar de gemeente te begeven met alle bewijzen hieromtrent.  Het komt toe aan de Dienst Vreemdelingenzaken om zich uit te spreken of de betrokkene al dan niet het vermoeden heeft weerlegd en derhalve te bepalen of er nog een verblijfsrecht bestaat of niet. In afwachting van de beslissing van Dienst Vreemdelingenzaken, heeft de betrokkene enkel recht op dringende medische hulp.

  2. Welke zijn de instellingen bepaald in alinea 7 van het artikel 2 § 1 van de wet van 2 april 1965 ?

    Het artikel 2 § 1 van de wet van 02/04/1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn is een uitzondering inzake het bepalen van de territoriale bevoegdheid van een OCMW.

     

    Twee cumulatieve voorwaarden moeten voldaan worden om dit artikel te kunnen toepassen :

    1-De betrokken instelling moet bedoeld zijn bij artikel 2, § 1, van de wet van 1965 ;

    2-De betrokkene had een inschrijving als hoofdverblijfplaats in het bevolkings-, vreemdelingen-of wachtregister op het moment van zijn opname in de instelling.

     

    Het artikel 2 , § 1, somt de instellingen op die bedoeld zijn in deze uitzondering. De alinea 7 van het artikel 2 § 1 van de wet van 02/04/1965 vermeldt : “ (…) hetzij in een instelling of een inrichting die door de bevoegde overheid erkend is om personen in noodsituaties op te vangen en hen tijdelijk te huisvesten en te begeleiden”.

     

    Aanvankelijk had dit lid van artikel 2 ,§ 1, van de wet van 1965 hoofdzakelijk betrekking op opvangcentra en vluchthuizen, met uitzondering van instellingen die aan deze wettelijke definitie voldoen maar die tijdelijke opvang bieden (in tegenstelling tot de door de vluchthuizen en opvangcentra georganiseerde verblijven). Gezien het groot aantal door de bevoegde autoriteit erkende instellingen die onderdak en begeleiding bieden, maar geen opvangcentrum of vluchthuis zijn, werd besloten de interpretatie van dit lid van artikel 2,6 1, uit te breiden om te voorkomen dat de materie ingewikkelder wordt.

     

    3 cumulatieve voorwaarden moeten voldaan zijn opdat deze alinea van toepassing is op een instelling  :

    1. Ze moet erkend zijn door de bevoegde overheid
    1. Ze moet begeleiding bieden aan personen in noodsituaties
    1. Ze moet personen in noodsituaties de mogelijkheid bieden om daar minstens één nacht te slapen

     

    Deze bepaling is daarentegen niet van toepassing op nood-of doorgangswoningen aangezien ze geen instellingen / inrichtingen zijn in de zin van het artikel 2 § 1.

  3. Kan een woning in het kader van deze projectoproep worden ingediend indien deze in het verleden reeds als een sociale woning gebruikt werd?

    Het doel van deze projectoproep is om het aantal kwaliteitsvolle doorgangswoningen in België te verhogen.

    De woningen die reeds gebruikt werden als woningen met sociale oogmerken en de woningen die reeds gesubsidieerd worden door de Nationale Loterij, komen niet in aanmerking voor deze projectoproep. De LOI’s zijn hierop een uitzondering.

    De aanvraag dient een nieuw project van doorgangswoningen te omvatten, hetzij door de renovatie en de uitrusting, hetzij door het plaatsen van een wooncontainer.

  4. Welke studie worden beschouwd als studies met volledig leerplan?
    • middelbaar onderwijs met volledig leerplan
    • hoger niet-universitair en universitair onderwijs, die door de betrokken gemeenschap beschouwd worden als studies met volledig leerplan.
    • De door het onderwijs voor sociale promotie georganiseerde dagopleidingen die leiden tot een overeenstemmend getuigschrift van het onderwijs met voltijds leerplan worden gelijkgesteld met studies in onderwijs met voltijds leerplan.
    • Leerovereenkomst van de middenstand
    • "l’enseignement secondaire en alternance (CEFA) (Franse Gemeenschap) BEHALVE de opleiding tot bedrijfsleider, georganiseerd door DEFA of "L'Espace Formation PME" die niet wordt beschouwd als studies met volledig leerplan. Het gaat om een voorbereidende opleiding voor de uitoefening van een leidende functie in een KMO of de uitoefening van een zelfstandig of vrij beroep.
    • het deeltijds beroepssecundair onderwijs" (Vlaamse Gemeenschap)
  5. Welke studies worden niet beschouwd als studies met volledig leerplan?
    • Opleidingen in glijdende uurroosters, avondcursussen.
    • Cursussen gevolgd als vrije student.
    • Cursussen per post, afstandsonderwijs.
    • Onderwijs voor sociale promotie, dagonderwijs, dat niet leidt tot een overeenstemmend getuigschrift van het onderwijs met volledig leerplan
    • Een taalopleiding die niet leidt tot een overeenstemmend getuigschrift van het onderwijs met volledig leerplan
    • Studies gevolgd in onderwijsinstellingen in het buitenland behalve voor studenten die in het kader van het Erasmusprogramma van de Europese Unie voor een bepaalde tijd in het buitenland studeren, en die ingeschreven blijven in een door de Gemeenschappen erkende, georganiseerde of gesubsidieerde onderwijsinstelling.
    • Opleidingen die leiden tot een getuigschrift en niet tot een titel die overeenstemt met het onderwijs met volledig leerplan. Voorbeelden:
      - de opleiding zorgkundige die leidt tot een kwalificatiegetuigschrift van gezinshulp - zorgkundige;
      - de opleiding "polyvalente help(st)er voor dienstverlening aan huis en in groep" is een kwalificerende opleiding die leidt tot een kwalificatiegetuigschrift van "polyvalente help(st)er voor dienstverlening aan huis en in groep"
      - de opleiding schoonheidsspecialiste aan de onderwijsinstelling voor sociale promotie die leidt tot een kwalificatiegetuigschrift van schoonheidsspecialiste.
    • Kwalificerende opleidingen (een opleiding van FOREM, VDAB, ORBEM, of van een vzw, …). Voorbeelden:
      - Opleidingen sociale promotie voor kinderverzorgster die leiden tot een getuigschrift van slagen;
      - De leeropleidingen kleinhandelaar georganiseerd door 'L’Espace Formation PME' die bedoeld zijn voor iedereen die de noodzakelijke kennis wil verwerven om professional te worden, hetzij ten dienst van een onderneming of als zelfstandige.
      - De opleiding tot bedrijfsleider, georganiseerd door CEFA of "L'Espace Formation PME".
  6. Kan het OCMW een vorig GPMI opnieuw actualiseren?

    Wanneer een persoon reeds een begunstigde was van het recht op maatschappelijke integratie dat gepaard ging met een GPMI, daarna voor een korte periode gaat werken om aansluitend hierop opnieuw een steun aan te vragen bij het OCMW, dan kan het vorige GPMI worden geactualiseerd. De maatschappelijke assistent en de begunstigde moeten de verschillende elementen van het vorig GPMI doorlopen om na te gaan of deze nog steeds overeenkomen en zij dienen dit te ondertekenen.

    Als de periode van werk korter is dan 3 maanden, is de sociale balans niet noodzakelijk.

  7. Hoe moet de zin "OCMW’s met het hoogst aantal leefloonbegunstigden die een gezin ten laste hebben (categorie 3) krijgen meer punten" begrepen worden?

    Om voor subsidiëring in aanmerking te komen moet een projectvoorstel vooreerst minstens 60/100 behalen bij de beoordeling van de selectiecriteria. De OCMW’s die minstens 60/100 behaalden worden op basis van de indicator ‘leefloongerechtigden cat.3’ in 5 groepen ingedeeld. Concreet wordt hierbij naar het relatief aandeel van de leefloongerechtigden cat. 3 gekeken. De quotering op de selectiecriteria wordt vervolgens vermeerderd met 0 tot 5 punten afhankelijk van het relatief aandeel van de leefloongerechtigden cat. 3 in het werkingsgebied van het OCMW (of het samenwerkingsverband).

  8. Om ontvankelijk te zijn wordt een beslissing van de OCMW-Raad voorgelegd waarin deze zich akkoord verklaart met de uitvoering van het project. Wat als de OCMW-Raad in juli niet meer samenkomt?

    Indien de OCMW-Raad in juli of augustus niet meer samenkomt dan zal de dossierverantwoordelijke bij het indienen van het aanvraagdossier een ondertekende verklaring geüploaden waarin staat dat de beslissing van de OCMW-Raad of OCMW-Raden tegen ten laatste 26 september 2018 aan de POD Maatschappelijke Integratie zal worden overgemaakt. De Raadsbeslissing(en) word(t)(en) vervolgens per email naar de frontoffice van de POD Maatschappelijke Integratie gestuurd. Indien de POD Maatschappelijke Integratie op 26 september 2018 niet in het bezit is van deze beslissing kan het project niet gesubsidieerd worden.

md xs sm lg