Veelgestelde vragen

  1. Zullen de OCMW's, in 2015, een verhoogde toelage genieten voor hun rechthebbenden op maatschappelijke integratie?

    Sinds 1 juli 2014 is de federale overheid niet meer bevoegd ter zake.

     

    Het algemene principe van de 6de Staatshervorming is dat de bestaande federale reglementering van toepassing blijft tot een gewest of een gemeenschap beslist tot wijzigingen of nieuwe regels ter zake.

     

    Specifiek voor de verhoogde toelage die wordt toegekend voor de rechthebbenden op maatschappelijke integratie of op een financiële maatschappelijke hulp die worden tewerkgesteld aan sociale-economie-initiatieven overeenkomstig artikel 60 §7 van de organieke OCMW-wet kunnen de bestaande federale bepalingen echter niet van toepassing blijven in 2015.

     

    In de van kracht zijnde reglementering, namelijk het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage aan de OCMW's voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie, wordt in artikel 4 immers uitdrukkelijk vermeld dat:

     

    "Om aanspraak te kunnen maken op het in de artikelen 2 en 3 bepaald hoger toelagebedrag, moet het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn:

     

    - voorkomen op de lijst die jaarlijks door de Minister die bevoegd is voor Sociale Economie wordt bekendgemaakt, die bepaalt hoeveel rechthebbenden een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bijkomend kan aanwerven met toepassing van artikel 60, § 7, om ze ter beschikking te stellen van sociale economie-initiatieven;

    - aantonen dat ook in hoofde van het sociale economie-initiatief de ter beschikking gestelde werknemers bijkomende tewerkstelling vertegenwoordigen."

     

    Aangezien de federale overheid niet meer bevoegd is ter zake, kan zij deze lijst voor 2015 dan ook niet meer publiceren. De Gewesten moeten het initiatief nemen.

    De drie Gewesten werden ingelicht over deze specifieke hoogdringendheid.

     

    De POD Maatschappelijke Integratie zal de OCMW’s in 2015 dus niet meer kunnen subsidiëren in dit kader, aangezien de federale begroting 2015 niet meer voorziet in budgettaire middelen ter zake.

     

    In de praktijk:

     

    Wanneer een OCMW momenteel een aanvraag voor een specifieke toelage "artikel 60, §7 sociale economie" indient in de toepassing van de POD MI via een formulier B, wordt de toelage uitgekeerd aan het OCMW, wanneer de overeenkomst afloopt vóór 31/12/2014.

    Wanneer de overeenkomst echter afloopt na 31/12/2014 wordt de betaling van de toelage geblokkeerd, inclusief de toelage voor het jaar 2014.

     

    Voorbeeld: een formulier B dat van kracht wordt op 01/04/2014 en 12 maanden geldig is, wordt geblokkeerd en er wordt geen enkele betaling uitgevoerd.

     

    Er wordt de OCMW's dus aangeraden om op hun formulieren B met betrekking tot de overeenkomsten "artikel 60, §7 sociale economie" die werden opgesteld in 2014, 31 december 2014 als einddatum te vermelden.

     

    Voor de formulieren B van dit type die reeds werden bezorgd, zal de POD zo snel mogelijk een lijst opstellen, per OCMW, van de formulieren die werden aanvaard, maar die geblokkeerd zijn. De betrokken OCMW's zullen gecontacteerd worden om ervoor te zorgen dat zij de verbeterde formulieren B kunnen opsturen.

     

     

  2. Als er sprake is van medische overmacht, worden de kosten voor maatschappelijke dienstverlening dan ten laste genomen door de Staat?

    Wanneer Dienst Vreemdelingenzaken een verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied heeft toegekend op grond van geboorte, zwangerschap of medische redenen, zal de Belgische Staat de kosten voor maatschappelijke dienstverlening ten laste nemen gedurende de termijn van de verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied. Deze kosten worden terugbetaald binnen de grenzen vastgelegd door het Ministerieel Besluit van 30 januari 1995 en voor zover een voorafgaand sociaal onderzoek het bestaan en de omvang van de nood heeft kunnen vaststellen.

    Indien er geen verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied wegens zwangerschap, geboorte of medische redenen werd toegekend, zal de Belgische Staat de kosten voor maatschappelijke dienstverlening ten laste nemen op voorwaarde dat de rechterlijke macht het OCMW veroordeelt om steun toe te kennen aan de betrokkene op grond van het algemeen principe van overmacht omdat de betrokkenen wegens redenen onafhankelijk van zijn wil langer op ons grondgebied moet verblijven.

  3. Een vreemdeling die het Belgisch grondgebied niet kan verlaten wegens medische overmacht en die een een verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied heeft verkregen, heeft die recht op maatrschappelijke dienstverlening?

    Ja, een vreemdeling aan wie een uitvoerbaar bevel is betekend om het grondgebied te verlaten en die een verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied heeft verkregen op grond van zwangerschap, geboorte of medische redenen, kan een recht op maatschappelijke dienstverlening openen indien hij/zij aan alle voorwaarden voldoet om het recht op maatschappelijke dienstverlening te kunnen openen en dit gedurende de termijn van de verlenging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied.

  4. Is het beroep bij de RVV tegen de beslissing tot niet- inoverwegingname van de asielaanvraag van een burger die uit een veilig land komt, en van een meervoudige asielaanvraag, opschortend?

    Ja. Sinds 31 mei 2014 is het beroep bij de RVV tegen de beslissing tot niet-inoverwegingname van de asielaanvraag van een burger die uit een veilig land komt, en van een meervoudige asielaanvraag, opschortend.

    Het beroep tegen de beslissing tot niet-inoverwegingname van een meervoudige asielaanvraag is echter niet opschortend wanneer het CGVS oordeelt dat de terugkeer geen schending uitmaakt van het non-refoulementbeginsel en het minstens de derde asielaanvraag betreft, of de tweede asielaanvraag die binnen de 48 uur voor de repatriëring wordt ingediend. Het CGVS stelt voor alle duidelijkheid een motivatie op rond het non-refoulementbeginsel, en vermeldt duidelijk of het beroep bij de RVV opschortend is of niet en wat de beroepstermijn is.

  5. Moet er een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten worden betekend in geval van een beslissing van de RVV tot weigering van erkenning van het statuut van vluchteling of van subsidiaire bescherming?

    Nee. In het geval van een beslissing van de RVV tot weigering van erkenning van het statuut van vluchteling of van subsidiaire bescherming, wordt sinds 1 september 2013 het bevel om het grondgebied te verlaten dat werd afgeleverd als gevolg van de weigeringsbeslissing van het CGVS (bijlage 13quinquies) uitgesteld met 10 dagen. Op voorwaarde dat de betrokkene voldoende meewerkt met het terugkeertraject in de zin van artikel 6/1, § 3 van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers, kan DVZ dit twee maal met tien dagen verlengen. Deze medewerking wordt beoordeeld door Fedasil en DVZ.

md xs sm lg