Veelgestelde vragen

  1. Kan een tewerkstelling bij toepassing van artikel 60§7 een tewerkstelling bij toepassing van artikel 60§7 met terbeschikkingstelling van de werknemer aan initiatieven van sociale economie die recht geeft op een verhoogde Staatstoelage worden?

    Hierbij moet verwezen worden naar artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 tot toekenning van een verhoogde staatstoelage voor specifieke initiatieven, gericht op sociale inschakeling, binnen de sociale economie.

    Om aanspraak te maken op het hogere toelagebedrag moet het OCMW, meer bepaald, aantonen dat de ter beschikking gestelde werknemers ook in hoofde van het sociale economie-initiatief bijkomende tewerkstelling vertegenwoordigen.

    Dit wil zeggen dat:

    - het moet gaan om nieuwe aanwervingen voor het OCMW, met andere woorden, het is niet toegelaten dat de huidige werknemers, aangeworven bij toepassing van artikel 60, §7, en waarvoor de normale staatstoelage wordt toegekend, geleidelijk vervangen worden door uitsluitend werknemers waarop de verhoogde staatstoelage van toepassing is,

    - het moet gaan om bijkomende aanwervingen eveneens binnen de context van het sociale economie-initiatief. Daarom moet de overeenkomst tussen het OCMW en het sociale economie-initiatief een overzicht bevatten van het personeelsbestand van het sociale economie-initiatief en dit initiatief moet uitdrukkelijk verklaren dat het personeelsbestand niet zal verminderd worden gedurende de volledige duur van de terbeschikkingstelling.

    De overgang van een "klassieke" tewerkstelling bij toepassing van artikel 60§7 naar een tewerkstelling in het kader van het sociale economiecontingent zal echter kunnen overwogen worden wanneer, en enkel wanneer het OCMW tegelijkertijd een bijkomende aanwerving doet om de persoon die tewerkgesteld was in het kader van het "klassieke" artikel 60§7 te vervangen.



  2. Is het, in het kader van de partnerschapsovereenkomst, mogelijk om een partnerschap aan te gaan met de interne diensten voor sociale economie in het OCMW?

    Neen.

    Het artikel 3 van het KB 23 september 2004 verduidelijkt dat de financiële tegemoetkoming enkel kan worden toegekend wanneer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    1° het OCMW sluit, bij toepassing van artikel 61 van de OW, een individuele partnerschapsovereenkomst voor een gerechtigde met de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling of een of meerdere erkende partners;

    2° via deze partnerschapovereenkomst verbindt de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling of de erkende partner(s) zich ertoe voor de gerechtigde een op de persoon toegespitst begeleidingsplan op te stellen en uit te voeren met het oog op zijn begeleiding en zijn toeleiding naar een tewerkstelling in een onderneming.

    De basis van het partnerschap is dus een overeenkomst die moet worden opgesteld bij toepassing van artikel 61 van de organieke wet die bepaalt dat : in het kader van de uitvoering van hun taken kunnen de OCMW's "een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht werden hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene".

    Wat is het basisprincipe van artikel 61 van de organieke wet?

    Uit de voorbereidende werkzaamheden van de OW blijkt dat : "Bovendien zal het centrum, wanneer het zelf niet over de gepaste diensten en instellingen beschikt, bij voorkeur overeenkomsten sluiten met andere instellingen om aan alle noden te kunnen voldoen".

    Het principe is voor de OCMW's die intern niet over de nodige middelen beschikken om hun wettelijke taken uit te voeren, de mogelijkheid reglementeren om partnerschapsovereenkomsten te sluiten.

    Bij wijze van besluit, een OCMW sluit geen partnerschaps-overeenkomst met zichzelf. Wanneer het OCMW intern over de nodige middelen beschikt, moet het geen beroep doen op artikel 61. Enige mogelijkheid: de diensten sociale economie met een rechtspersoonlijkheid die verschilt van deze van het OCMW

  3. Welke zijn de toepassingsvoorwaarden van de partnerschapsovereenkomsten (zogenaamd 500 Euro-maatregel)?

    Dankzij van de administratieve vereenvoudiging werden de toepassingsvoorwaarden van de reglementering die de financiële tegemoetkoming van het OCMW bepaalt voor de begeleiding en de toeleiding van een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een financiële maatschappelijke hulp naar een tewerkstelling in een onderneming sinds 4 november 2012 versoepeld.

    De voorwaarden zijn nu als volgt:

    - De OCMW's moeten de methode valideren van het actief zoeken naar werk en/of van job coaching die de partners gebruiken.

    - De OCMW's mogen meer dan 50 % van de uren begeleiding ten laste nemen.

    Referenties: KB van 8 oktober 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 september 2004 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor de begeleiding en de toeleiding van een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een financiële maatschappelijke hulp naar een tewerkstelling in een onderneming (In werking getreden op 4 november 2012).



     

  4. Kan men aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen wanneer de tewerkstelling in het kader van een programma voor wedertewerkstelling (bijv.: doorstromingsprogramma of SINE) minder bedraagt dan 24 ononderbroken maanden?

    Neen. Om werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten, moet de werknemer een bepaald aantal bezoldigde werkdagen hebben gepresteerd tijdens een bepaalde referentieperiode. Deze referteperiode kan verlengd worden door bepaalde gebeurtenissen, waaronder een tewerkstelling in het kader van een programma voor wedertewerkstelling (waaronder DP of SINE) dat niet langer dan 24 ononderbroken maanden zou duren. In dat geval tellen de gepresteerde dagen onder DP- of SINE-contract niet mee voor de werkloosheid. (Cf. artikel 37, § 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

    Vanaf 1 november 2012 zal het recht op uitkeringen bij volledige werkloosheid echter belangrijke wijzigingen ondergaan. De regering heeft namelijk beslist om de toegangsvoorwaarden tot het bekomen van werkloosheidsuitkeringen te versoepelen. Bijgevolg zullen de werkdagen gepresteerd in het kader van een programma voor wedertewerkstelling (DP of SINE), voor en na 1 november 2012 voortaan in aanmerking worden genomen. (Cf. Koninklijk besluit van 23 juli 2012 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering in het kader van de versterkte degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 2011 tot wijziging van de artikelen 27, 36, 36ter, 36quater, 36sexies, 40, 59quinquies, 59sexies, 63, 79, 92, 93, 94, 97, 124 en 131septies van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering).

  5. Welke zjjn de verschillende gemeentelijke administratieve sancties die voorzien zijn in de Wet?

    De nieuwe GAS wet van 24 juni 2013 voorziet 4 mogelijke sancties. De gemeenteraad moet in zijn reglement de mogelijkheid voorzien dat bepaalde inbreuken met deze sancties worden bestraft, indien de bestraffing van deze inbreuken nog niet geregeld is via andere wet-of regelgeving.

    Het gaat om:
    1) Een administratieve geldboete die maximaal 175 euro of 350 euro bedraagt, naargelang de overtreder minderjarig of meerderjarig is;
    2) De administratieve schorsing van een door de gemeente verleende toestemming of vergunning;
    3) De administratieve intrekking van een door de gemeenten verleende toestemming of vergunning;
    4) De tijdeljke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.

    De gemeenteraad kan in zijn reglementen of verordeningen ook 2 mogelijke alternatieve maatregelen voorzien voor de administratieve geldboete.
    De gemeenschapsdienst, of de lokale bemiddeling

  6. Hoe moet, door de versoepeling van de reglementering betreffende de partnerschapsovereenkomsten waardoor een OCMW meer dan 50 % van de uren kan verzekeren waarin voorzien is in de module van individuele opvolging, artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 september 2004 tot vaststelling van de financiële tussenkomst van het OCMW voor de begeleiding en de toeleiding van een gerechtigde op maatschappelijke integratie?

    Artikel 7 van het koninklijk besluit van 23 september 2004 reglementeert de betalingsmodaliteiten van de financiële tussenkomst tussen het OCMW en zijn partners (regionale tewerkstellingsinstellingen of andere).

     

    Dit artikel verduidelijkt: "Naar aanleiding van de ondertekening van de individuele partnerschapovereenkomst wordt 50 % van de financiële tussenkomst door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn aan de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling of de erkende partner(s) gestort. Het saldo van de financiële tussenkomst wordt betaald na uitvoering van de individuele partnerschapovereenkomst op basis van een schuldvordering van de openbare dienst voor arbeidsbemiddeling of de door deze dienst erkende partner(s).
    Indien meerdere partners betrokken zijn bij de uitvoering van de partnerschapovereenkomst, wordt de financiële tussenkomst over de verschillende partners verdeeld volgens het aantal uren opvolging waartoe iedere partner zich verbonden heeft, ook al wordt de tewerkstelling van de gerechtigde eerder verwezenlijkt.
    "

     

    Dit wil zeggen dat, wanneer de partnerschapsovereenkomst werd gesloten, het OCMW 50 % van de financiële tussenkomst waarin tussen hen contractueel werd voorzien, stort aan zijn partner(s).

    Het saldo van de financiële tussenkomst zal betaald worden na uitvoering van de partnerschapovereenkomst op basis van een schuldvordering van de partner(s) van het OCMW.

     

     

    Zo wordt, bijvoorbeeld, een overeenkomst gesloten tussen een OCMW en een partner, opdat deze laatste 20 % van de in de module vastgelegde uren uitvoert. De partner zal in totaal recht hebben op een financiële tussenkomst vanwege het OCMW die maximaal 20 % van het totaalbedrag zal uitmaken. Deze financiële tussenkomst zal als volgt verdeeld worden: 50 % op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten en de overige 50 % na uitvoering van de partnerschapsovereenkomst, op basis van een schuldvordering van de partner.

     

  7. Wat is een partnerschapsovereenkomst (zogenaamde 500 Euro-maatregel)?

    De partnerschapsovereenkomst (of 500 Euro-maatregel) is een maatregel waarmee het OCMW een partnerschap sluit met de regionale tewerkstellingsdienst (ACTIRIS, FOREm, VDAB en, voor de Duitstalige Gemeenschap, das Arbeitsamt der Deutschsprachigen Gemeinschaft) of een of meer door het OCMW erkende partnerschappen om een rechthebbende individueel te begeleiden met het oog op zijn tewerkstelling op de reguliere arbeidsmarkt. De partners waarmee het OCMW samenwerkt ontvangen een financiële tegemoetkoming vanwege het OCMW voor het voltooien van de opdracht die hen werd opgedragen via het partnerschap. Voor de geïndividualiseerde begeleiding van de rechthebbende moet(en) de partner(s) een beroep doen op de methodes van het actief zoeken naar werk en/of job coaching, overeengekomen met het OCMW.

    Referenties: KB van 23 september 2004 tot vaststelling van de financiële tussenkomst vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor de begeleiding en de toeleiding van een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een financiële maatschappelijke hulp naar een tewerkstelling in een onderneming

  8. Wat zijn de gevolgen als een leefloonbegunstigde langer dan een maand in het buitenland verblijft zonder het OCMW hierover op voorhand te informeren?

    In principe moet een leefloonbegunstigde die langer dan één maand in het buitenland wil verblijven, het OCMW hiervan vóór zijn vertrek in kennis stellen.
    Als een leefloonbegunstigde langer dan één maand in het buitenland verblijft zonder het OCMW hiervan op de hoogte te brengen, wordt de uitbetaling van het leefloon geschorst na het verstrijken van de eerste maand van verblijf in het buitenland tenzij de Raad voor Maatschappelijk Welzijn oordeelt dat uitzonderlijke omstandigheden dit verblijf rechtvaardigen.
    Tijdens de 1ste maand van het verblijf in het buitenland behoudt de leefloonbegunstigde het leefloon.

  9. Mag een leefloonbegunstigde langer dan een maand in het buitenland verblijven?

    Een leefloonbegunstigde die langer dan één maand in het buitenland wil verblijven, moet het OCMW hiervan vóór zijn vertrek op de hoogte brengen. Hij moet aan het OCMW de reden van het verblijf opgeven en de duur ervan. Als een leefloonbegunstigde langer dan één maand in het buitenland verblijft, kan dit gevolgen hebben voor de betaling van zijn leefloon.

md xs sm lg